Hechting en afhankelijkheid


‘Afhankelijkheid van je partner is zo ongeveer taboe’ (bron: Psy 19-04-2010)

Een veilige basis is niet alleen belangrijk voor kinderen, ook volwassenen kunnen beter tegen het leven als ze veilig gehecht zijn. Daar komt steeds meer wetenschappelijk bewijs voor. Het wordt tijd dat die inzichten worden toegepast in de behandeling, vinden psychiater Jaap Kool en psychotherapeut Berry Aarnoudse. ‘Je hebt iemand nodig. Afhankelijkheid is eigenlijk hechting.’

Een halve eeuw jaar nadat psychiater John Bowbly voor het eerst wees op het belang van hechting voor opgroeiende kinderen, halen Kool en Aarnoudse zes vooraanstaande wetenschappers en psychiaters van over de hele wereld naar Nederland voor een tweedaagse conferentie op 19 en 20 april over hechting. De conferentie Creating Connections die zij organiseren heeft een duidelijk doel: verbanden leggen. Tussen wetenschap en praktijk, tussen therapeutische stromingen, tussen verschillende wetenschappelijke velden als neurobiologie en psychologie. De bindende factor: hechting.

Waarom is het begrip ‘hechting’ zo belangrijk?
Kool: ‘Heel simpel: omdat mensen niet zonder kunnen. Ieder mens heeft behoefte aan een ander die emotioneel dichtbij hem staat en bij wie hij zich veilig voelt. Gisteren zag ik nog een filmpje van een experiment waaruit blijkt hoe belangrijk dat is. In dat experiment, genaamd ‘Still Face’, zit een baby tegenover zijn moeder. Ze hebben heel leuk contact met elkaar. De baby toont allerlei gezichtsuitdrukkingen, en zijn moeder reageert daarop. Dan wendt de moeder even haar hoofd af, en wanneer zij haar kind weer aankijkt, is er niets meer van haar gezicht af te lezen. Ze heeft een ‘still face’, en reageert niet meer op haar kind. Je ziet hoe de baby binnen een minuut in paniek raakt. Hij probeert van alles: hij strekt zijn armpjes naar haar uit, hij wendt zich af, hij schreeuwt. Je ziet duidelijk dat hij zich slecht voelt. Dat is precies het principe van hechting: je hebt elkaar nodig.’
Klinkt logisch. Toch is er nog onvoldoende begrip voor de betekenis van ‘hechting’, schrijft u op de website van de conferentie. Hoe komt dat dan?
Kool: ‘Pas de laatste jaren maakten allerlei technische ontwikkelingen het mogelijk om deze theorie wetenschappelijk te funderen. Vijftien jaar geleden konden we nog niet in de hersenen kijken. Tegenwoordig zijn er mri-scans waarmee we kunnen zien dat bepaalde delen van de hersenen oplichten wanneer we aan een geliefde denken, of wanneer we contact maken met een ander. Wat we al lange tijd veronderstelden, kunnen we nu pas echt goed wetenschappelijk aantonen.’

Dus het was wachten op een manier om de vermoedens te toetsen?
Aarnoudse: ‘Dat niet alleen. De toepassing van de hechtingstheorie op volwassenen is ook pas iets van de laatste tien jaar. Iedereen snapte wel dat een kind een ouder nodig heeft. Maar wat zo vanzelfsprekend is tussen ouders en kinderen, hebben volwassenen evengoed nodig. Volwassenen hebben ook behoefte aan een veilige haven. Als je ‘s avonds thuiskomt wil je graag dat er iemand op je wacht, iemand naar wie je verlangt. Dat hadden we lange tijd niet door! Het paste misschien ook niet in de tijdsgeest. Het idee heerst immers dat iedereen emotioneel voor zichzelf moet zorgen. Afhankelijk zijn van je partner is zo ongeveer taboe. Nu zien we in dat het ‘afhankelijk zijn’ eigenlijk hechting is. Je hebt iemand nodig die dichtbij je staat. Het geeft de rust en veiligheid die nodig is om je eigen leven gestalte te geven.’

Wat betekenen deze recent bewezen inzichten voor de behandelingen in de ggz?
Kool: ‘We weten al heel lang dat de relatie tussen patiënt en behandelaar van invloed is op de effectiviteit van de behandeling. We wisten alleen niet hoe het precies zat, we noemden het ‘niet-geïdentificeerde factoren in de relatie’. Inmiddels weten dat het over hechting gaat: in hoeverre kan de therapeut een veilige hechtingsfiguur zijn voor de patiënt?’

Wordt hier voldoende aandacht aan besteed? Hoe zit het bijvoorbeeld met de veel gebruikte cognitieve gedragstherapie?
Kool: ‘In cognitieve gedragstherapie leer je eigenlijk een trucje hoe je je gedrag kunt aanpassen, zodat je je beter voelt. Dat is heel handig, en in de eerstelijns zorg bij de lichtere problemen werkt dat wellicht goed. Bij de tweedelijns zorg moet ook de cognitieve gedragstherapeut langduriger contact met de patiënt hebben. De vraag is wat precies het succes van een behandeling bepaalt: is dat de behandelmethode of de relatie tussen patiënt en therapeut?’
Aarnoudse: ‘Ik denk: beide. We moeten niet het misverstand de wereld in helpen dat cognitieve gedragstherapie tekort schiet. Dat is niet zo, ze moeten vooral door blijven gaan met wat ze doen. Maar ik denk dat alle therapievormen de komende twintig jaar steeds dichter naar elkaar zullen schuiven, omdat we zullen inzien dat de werkzame elementen overeenstemmen. Als het niet botert tussen therapeut en patiënt, werkt ook cognitieve gedragstherapie niet.’

Hoe zou de ggz de hechtingstheorie meer kunnen toepassen?
Aarnoudse: ‘In onderzoek is aangetoond dat mensen beter in staat zijn een pijnlijke ervaring zoals een elektrische schok te verdragen wanneer hun geliefde hun hand vasthoudt. Bij de behandeling van trauma’s moeten we de partner van de patiënt dus veel nadrukkelijker betrekken. De nabijheid van iemand aan wie de patiënt veilig gehecht is, vormt een heel gunstige conditie voor de patiënt om zich te ontwikkelen en pijnlijke ervaringen te boven te komen. Dat geldt overigens niet alleen voor het verwerken van trauma’s. Er wordt veel individuele therapie gegeven – goede therapie – maar partners, of andere personen aan wie de patiënt veilig is gehecht, worden daar veel te weinig bij betrokken.’
Kool: ‘Bovendien zouden we minder pillen, en meer therapie moeten geven. Vroeger hadden patiënten jarenlang dezelfde psychiater, ik denk dat dat heel goed was. Het gaat er uiteindelijk om dat je veilige basis hebt, waar je op terug kunt vallen.’ (CS)

www.creatingconnections.nl

Lees ook het interview met therapeut Sue Johnson: Doorbreek duivelse dialogen tussen liefdespartners

© Psy 19-04-2010